Recensie – Wandel door het Rotterdam en Leiden van de Gouden Eeuw; ontdek verdwenen ambachten; ruik bederf en dood, en reis mee naar de Nieuwe Wereld. Kortom, duik in de wereld van Menno Molenaar, die worstelt met religie en traditie in deze fascinerende, veelgelaagde roman van Nelleke Noordervliet.
Een historische roman dus. Ja en nee, want Noordervliet geeft er een heel eigen vorm aan. Zij duikt zelf regelmatig op in het verhaal van de jurist en arts Molenaar, die na een moord de Republiek ontvlucht om een nieuw leven te beginnen in Amerika.
‘De ontmoeting met Menno Molenaar vond strikt genomen niet plaats.’
Na deze beginzin doet Noordervliet net alsof ze in het hedendaagse New York kennis maakt met een overlevende uit de zeventiende eeuw. Hij blijkt, net als zij, afkomstig uit Rotterdam. Samen reizen ze naar Nederland, bezoeken de plaatsen waar hij woonde, en dan wordt stukje bij beetje meer duidelijk over dit raadselachtige heerschap, tot in de kleinste details.
‘De kleine gebaren werden me vertrouwd. (…) Zijn onaangename gewoonten, zoals spugen op het troottoir als een voetballer. Het ongegeneerde krabben waar het jeukte. Doen jullie dat allemaal in de zeventiende eeuw? vroeg ik hem. Zijn lach, hoe sporadisch ook voorkam, maakte veel goed.’
Geloofstwijfels
De intelligente Menno Molenaar verliest al jong zijn vader. Menno denkt door zijn schuld is: gefascineerd als hij is door de dood, heeft hij vlak voor zijn vader ziek werd, een (nog net niet dode) kat ontleed. Dankzij de vermogende halfbroers van zijn moeder Catharina, mag hij gaan studeren. ‘Helaas’ theologie, terwijl hij ernstige geloofstwijfels heeft. Bovendien wil hij net als zijn vader arts worden.
Wegens wangedrag wordt hij al snel van het Statencollege gestuurd (door de kerkgeleerde Revius) en valt bij zijn familie in ongenade. Via een baantje in het lijkenhuis komt hij op de medische faculteit terecht en hij studeert rechten.
Hij leeft tussen de armen, waar hij een praktijkje heeft als aborteur. Dat maakt hem chantabel voor de rijke Engelse reder, Henry Dixon, die hem zowel beschermt als tot spionage dwingt voor de Engelsen (waarmee de Republiek in oorlog is). Tegelijkertijd verkeert Menno ook in de kringen van Spinoza en zijn vrijdenkers.
Als hij dan ook nog dubbelspion wordt, kan het niet anders dan fout gaan. Als dat gebeurt neemt hij de wijk naar Amerika. Daar probeert hij tevergeefs een gemeenschap op te zetten volgens de ideeën van tijdgenoten, met vrijheid van spreken gelijkheid voor iedereen.
Getuigenissen van tijdgenoten
De hoofdstukken met Menno’s levensverhaal , worden afgewisseld met getuigenissen van tijdgenoten als historicus Lieuwe van Aitzema, de schrijver en geleerde Adriaan Koerbagh – vervolgd om zijn kritiek op religie en moraal - en raadspensionaris Johan de Witt, voor wie Molenaar gaat werken.
Daarnaast zijn er de interrupties van de schrijfster, waarin ze de terughoudende Molenaar rechtstreeks aanspreekt, hem uit zijn tent probeert te lokken om antwoorden te krijgen. Ze ergert zich aan hem, maar raakt ook op hem gesteld.
‘Ik denk erover om mijzelf in een pronte herbergierster te projecteren, die hem onderdak en meer biedt. Er is geen wet die seks met een zelfverzonnen personage verbiedt.’ (bladzij 321)
Zo houdt de lezer voortdurend het besef dat het om een verzonnen verhaal gaat, terwijl deze werkwijze ook een mooi kijkje geeft in haar schrijfpraktijk.
Schrijfster is de baas
Ze laat er geen twijfel over bestaan, dat zij over het lot van Molenaar beslist; als hij in Amerika voor het eerst van zijn leven verliefd wordt en terecht komt in een burgerlijk bestaan schrijft ze:
‘Zo kan geen leven eindigen, denk ik. Zo kan hij niet doorgaan, niet op deze toon, niet met deze zekerheid, op de zelfgenoegzame hoogvlakte van het gezinsgeluk. (…) Ik zal hem laten voelen wie de baas is. Het is nog niet gedaan.’
Ze beschrijft verder de voetangels en klemmen van een historische roman, in fragmenten als:
‘Zoals we het verleden nu beschrijven was het niet, en zoals het was zullen we het niet kunnen beschrijven. We zouden het niet eens willen. De werkelijkheid zou ons beroven van een romantische illusie.’
Belangwekkend boek
Dat neemt niet weg dat haar visie op het leven in de Republiek een belangwekkend boek heeft opgeleverd. Niet alleen gedetailleerd op het gebeid van politiek en wetenschappelijk, waar haar hoofdpersoon middenin staat, maar ook op het alledaagse vlak. Je leest niet alleen over de stinkende stegen vol poep, je kunt ze bijna ruiken.
Het dilemma van Molenaar is universeel: met angst en vrees ontworstelt hij zich aan het religieuze denken en de moraal van zijn tijd – maar ten gunste van wat? Een gevoel dat iedereen zal herkennen, die zich losmaakt van de denkbeelden uit zijn jeugd en het gezin waarin hij opgroeide.
Een Vrij Man? Menno is het duidelijk niet; in zijn tijd kun je wel alles denken, maar niet zeggen. Dat wij dat nu wel kunnen, is terug te voeren op de strijd die hij en zijn tijdgenoten leverden tegen het gezag. En zij filosofeerden al over het probleem van nu: dat die vrijheid niet echt vrij maakt.
Dat alles schreef Noordervliet heel aantrekkelijk op, met de nodige knipogen op; ze laat de Engelse reder dromen van iets dat wij kennen als de lopende band. Al was mij ontgaan dat zijn opmerking ‘I love it when a plan comes together’ afkomstig is uit het populaire tv-programma The A-team. Maar dat maakt het leesgenot van ‘Vrij man’ er niet minder om.
Vrij man – Nelleke Noordervliet, uitgeverij Augustus, ISBN 9789045705507, prijs 19,95 euro