Staatssecretaris Halbe Zijlstra wil volgend jaar de Nederlandse Instituten in Damascus, Beirut en Amman sluiten. Voormalig diplomate Petra Stienen vindt dat een onbegrijpelijke beslissing. 'Juist in deze tijd kunnen zulke instituten een belangrijke rol spelen, door ademruimte te geven aan groepen die contact met Europa willen houden.'
Een voorbeeld van inconsistent beleid, vindt Stienen de beslissing van de staatssecretaris. 'Het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt miljoenen vrij voor democratiseringsprojecten in het Midden-Oosten. Maar tegelijkertijd trekt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de subsidie in voor het met veel moeite opgebouwde instituut in Damascus. Je kunt niet volhouden dat je de democratisering in Arabische landen steunt en dan zó’n belangrijk instituut afschaffen.'
Pijnlijke verspilling
Arabiste Stienen, die jarenlang op Nederlandse ambassades in de Arabische wereld werkte, was erbij toen het Nederlands Instituut in Damascus elf jaar geleden geopend werd. Doelstelling was het bevorderen van de academische en culturele banden met Syrië. Net als het oudere Nederlands Instituut in Cairo, werd het instituut in Damascus beheerd door een aantal Nederlandse universiteiten en betaald door het ministerie. Met een programma van onderwijs, lezingen en tentoonstellingen groeide het instituut uit tot een ontmoetingsplaats voor Nederlandse en Syrische studenten en academici, maar ook voor kunstenaars en mensen uit het bedrijfsleven.
Het instituut was zo’n succes dat er een dik jaar geleden twee kleinere instituten in Beirut en Amman werden geopend. Stienen: 'Nu dreigen die dus weer gesloten te worden. Het is een pijnlijke verspilling van publieke middelen. Eerst zet je alles in om zoiets van de grond te krijgen en dan trek je de stekker eruit.'
Aanleiding voor het sluiten van de drie instituten is de crisis in Syrië die de activiteiten van het instituut in Damascus onmogelijk maakt. Maar de achterliggende reden is volgens de staatssecretaris dat de instituten een 'beperkte meerwaarde' hebben. Van de core business, het uitwisselen en aantrekken van studenten voor het Nederlands hoger onderwijs, zou niet veel terechtgekomen zijn.
Een onterecht verwijt, vindt Stienen. 'Het instituut in Damascus bestaat pas elf jaar. Het kost tijd om zoiets op te bouwen. Het Nederlands Instituut in Cairo, dat dit jaar veertig jaar bestaat, bewijst wat er uit zo’n instituut kan groeien.'
Vrijplaats
Maar Stienen vindt vooral dat de staatssecretaris de werkelijke functie van de instituten over het hoofd ziet. Juist in de huidige crisis kunnen die een vrijplaats zijn voor groepen die een relatie willen houden met het westen.
Stienen: 'Internationale betrekkingen gaan niet alleen over de relaties tussen overheden, maar ook over de relaties tussen samenlevingen. De Arabische wereld is op dit moment nogal met zichzelf bezig. Maar er zijn ook groepen jongeren – studenten, kunstenaars, journalisten - die juist in contact willen blijven met Europa. Een Nederlands Instituut is een laagdrempelige manier om een netwerk van contacten te onderhouden. Het biedt letterlijk ademruimte voor die contacten.'
Stienen begrijpt dat het Instituut in Damascus tijdelijk dicht moet. Maar waarom ook de kleinere instituten in Beirut en Amman sluiten? 'De twee andere instituten zouden het werk van het oude instituut juist kunnen voortzetten en van daaruit het Syrische netwerk kunnen onderhouden. En dat voor heel weinig geld.'
Creatieve geesten
Vanuit haar diplomatieke ervaring in de Arabische wereld benadrukt Stienen het belang van zulke netwerken. 'Nederland heeft groot belang bij het in stand houden van goede contacten met jonge creatieve geesten die het in de toekomst voor het zeggen krijgen in de regio. Op de langere termijn zal de investering in dit soort instituten zich op allerlei manieren terugbetalen.'