Dit is de mobiele versie van Wereldomroep.nl. Klik hier voor de volledige versie
26 november, 2011 - 08:00

Australisch opvangkamp was niet makkelijk voor Nederlandse immigranten

Barakken in Bonegilla  data/files/australie.teaser.barakken-.jpg

Op de legerbasis hoppen kangoeroes rond en zitten honderden gekleurde papegaaien. Verder is er in het Australische Bonegilla weinig te beleven. In het verleden was dat anders. Tussen 1951 en 1971 was Bonegilla een opvangkamp voor immigranten. Een groot deel kwam uit Nederland.

Na de Tweede Wereldoorlog zat Australië te springen om mensen. Het doel was het aantal inwoners ieder jaar met één procent te laten stijgen. De eerste jaren kwamen vooral veel Britten het land binnen,  maar tussen 1951 en 1961 arriveerden er ook 125.000 Nederlanders. Meer dan de helft van hen werd geholpen door de Australische regering en werd in kampen als Bonegilla opgevangen.

Hollanders klagen nooit
In Bonegilla waren de omstandigheden niet altijd makkelijk voor de nieuwkomers. De Nederlanders dachten dat heel Australië tropisch was, dus de ijzige kou in de winter viel tegen. En wie in een barak sliep met een golfplaten dak, had het in de zomer juist weer bloedheet. Met temperaturen van boven de veertig graden.

De meeste mensen spraken geen Engels en het eten was ook vreemd voor de Nederlanders. Toch stonden ze goed bekend bij de Australiërs. In de lokale media stond te lezen: 'De Hollanders klagen nooit en zijn hard werkende, ijverige mensen. In tegenstelling tot de Italianen. We kunnen nooit genoeg Nederlanders hebben hier. Ze zijn van harte welkom.'

Bevelen in het Duits
Toch hadden, vooral in de beginperiode van Bonegilla, veel Nederlanders hun twijfels. De Australische overheid wist niet goed hoe er met de nieuwkomers in het kamp moest worden omgegaan. Mensen moesten in de rij gaan staan om eten te krijgen en alle immigranten werden in het Duits aangesproken. Door een geluidsinstallatie werden de bevelen rondgeschreeuwd.
Duits was meestal de enige niet-Engelse taal die de Australiërs spraken. Ze dachten dat iedereen dat wel zou verstaan. Maar daarbij hadden ze geen rekening gehouden met de gevoelens die de Nederlanders hadden tegenover de Duitse taal. Dit soort dingen droeg er volgens oud-medewerkers van Bonegilla toe bij dat een derde van de emigranten uiteindelijk terugging naar Nederland.

Af en toe een biertje
Joe van den Driest heeft juist overwegend positieve herinneringen aan Bonegilla. 'Ik was een vrijgezelle jongen van 19 jaar toen ik in het kamp aankwam. Alles vond ik leuk en spannend. Eindelijk was ik weg uit het verstikkende Nederland en ik kon in Bonegilla doen en laten wat ik wilde. Ik kon af en toe een biertje drinken en er waren veel meisjes', zegt hij met een knipoog.

'Toch kan ik me goed voorstellen dat het voor gezinnen zeker geen pretje was. Je zat vaak met grote gezinnen in de barakken en heel vaak gingen de mannen na een paar weken ook nog weg om werk te zoeken.' Dat werk zoeken gebeurde meestal in Melbourne, zo'n 400 kilometer verderop.

Weggeslopen uit het kamp

Net als veel andere Nederlanders sprak Joe van den Driest weinig Engels en probeerde hij via andere immigranten aan werk te komen. 'In het kamp zochten ze ook werk voor je. Ik kon een baantje krijgen in de staalindustrie, maar ik was bakker dus dat leek me niks. Op de boot naar Australië was ik iemand tegengekomen die familie had in Melbourne. Via hem had ik een adres gekregen.'

Hij sloop op een dag stiekem het kamp uit en hield een vrachtwagen aan. 'In ruil voor een slof sigaretten mocht ik meerijden.' Uiteindelijk vond hij de Nederlandse familie en haddzen ze inderdaad werk voor hem in de bakkerij. 'Ik heb maar een maand in Bonegilla gewoond. Maar we klaagden niet, hoor. Het was voor de meeste mensen een nieuwe stap in hun leven dus we accepteerden het gewoon.'